'Dat staal is niet van mij'

article
published at 16-06-15, by Mieke Bakker

‘In 2040 zijn al onze nieuw te bouwen schepen gemaakt van 100% recyclebare materialen’. Toen wij met onze Maritieme Grensverleggers deze ambitie bedachten, was dit onze droom. Maar hoe gaan we dit voor elkaar krijgen?

We weten dat de meeste Nederlandse reders hun schepen verkopen, lang voordat de gemiddelde levensduur van een schip - zo’n 30 jaar - is verlopen. Schepen veranderen tussendoor ook nog een paar keer van eigenaar. Daarmee raken ze behoorlijk uit het zicht van hun Nederlandse oud-eigenaren. Reders voelen zich daardoor vaak niet langer verantwoordelijk voor wat er met het schip gebeurt. Terwijl schepen na jaren van varen meestal op de stranden van Pakistan of Bangladesh eindigen, waar ze met blote handen worden gesloopt.

Wat kunnen wij daar aan doen? Misschien moeten we niet complete schepen in de gaten houden, maar losse onderdelen. Zoals het staal. Een schip bestaat voor het grootste deel uit staal. Het staal wordt gewonnen uit ijzererts. Het erts wordt vanaf de mijnen (meestal per schip) vervoerd naar een staalfabriek om verwerkt te worden tot plaatstaal. Vervolgens gaat het naar de scheepswerf, waar het aan elkaar wordt gelast en wordt verwerkt tot een schip. Tijdens het leven van het schip wordt de staaldikte regelmatig gemeten en indien nodig gerepareerd. Staal is op zich goed recyclebaar, maar de kwaliteit van het gerecyclede product is wel minder.

In de huidige situatie is het staal eigendom van de laatste reder. Wanneer hij zijn schip verkoopt, vervalt het eigenaarschap. Uiteraard verkoopt de reder zijn schip aan de hoogste bieder. Helaas zijn het meestal de sloopwerven op de stranden in Pakistan en Bangladesh die de hoogste prijs bieden. Zij kunnen zich deze hoge prijs veroorloven, omdat ze behoorlijk kostenbesparend te werk gaan. Dat is ook niet zo gek, wanneer je het niet zo nauw neemt met arbeidsomstandigheden.

Wat als we nu iemand anders eigenaar maken van het staal? Bijvoorbeeld de staalfabriek. Die zou het staal kunnen leasen aan de volgende schakel in de keten: de werf of de reder. Op die manier blijft het voor iedereen duidelijk van wie het staal is. Zodra een schip op het einde van haar leven komt, kan de staalfabriek het schip (c.q. het staal) doorverkopen aan een sloopwerf. Omdat het aantal staalfabrikanten gemiddeld genomen een stuk lager ligt, dan het aantal reders dat in de huidige situatie de laatste eigenaar is van een schip, zijn zij beter te identificeren. Daardoor kan je aan de staalfabrikant veel makkelijker eisen stellen bij welke werf het schip gesloopt zou moeten worden.

Laten we zorgen dat dit niet alleen bij een droom blijft, maar in 2040 ook de realiteit is.