Fairtrade koffie: nog een lange weg te gaan voor de Verenigde Staten

artikel
Gepubliceerd op 04-07-17, door Max Wohlgemuth Kitslaar

Max Wohlgemuth Kitslaar reed op een veertig jaar oude motor 17.000 kilometer van Chili naar New York. Onderweg bezocht hij 32 social enterprises. Op Grensverleggers deelt hij zijn ervaringen in een serie verhalen. Vandaag deel vijf, het laatste deel, waarin Max zich stort op de inkoop van fairtrade koffie in het zuiden van de Verenigde Staten.

Het liefst vermijd ik brede vijfbaanswegen, maar door oponthoud in Sarasota, aan de westkust van Florida, moet ik kilometers inhalen richting Americus, een provinciestadje in Georgia. Urenlang rijd ik op de eentonige snelweg, alsmaar rechtdoor, en heb ik de tijd om na te denken over het boek dat ik las.

De Nederlandse antropoloog en journalist Joris Luyendijk beschrijft in: Dit kan niet waar zijn de excessen binnen de bubbel van de Londense bankenwereld. In het bancaire systeem stimuleren 'perverse prikkels' het geld verdienen ten koste van klanten, in plaats van met hen samen te werken.

Moreel

Luyendijk beschrijft dit systeem aan de hand van talloze geanonimiseerde interviews en verkent wat hij moreel aanvaardbaar vindt.

Alle bedrijven die ik onderweg bezoek, houden zich bezig met deze vraag naar moraliteit. De mensen die ik gesproken heb, stellen zich binnen een zakelijke context de existentiële vraag waar het leven nou eigenlijk om draait en welke maatschappelijke rol hun bedrijf daarin kan spelen.

Het is inspirerend om te zien dat ze zich door zulke fundamentele vragen te stellen, niet alleen net zoals iedere ondernemer zakelijk en financieel kwetsbaar opstellen, maar ook psychologisch en emotioneel. Natuurlijk loopt niet alles op rolletjes, net zo min als bij ieder ander bedrijf, maar ze gaan er wel voor. Als alle ondernemers zich dagelijks dit soort vragen naar moraliteit stelden, dan zou de zakenwereld de kwaliteit van leven dienen.

Koffieboer in Guatemala

In Americus word ik ontvangen door Bill Harris, de oprichter van Cafe Campesino en Coop Coffees. Halverwege de jaren negentig kwam Bill als student via Habitat for Humanity in Guatemala. Daar hielp hij een lokale koffieboer met het bouwen van zijn huis.

"Toen deze Guatemalteekse koffieboer me vertelde wat hij betaald kreeg voor zijn koffiebonen, kon ik mijn oren niet geloven", vertelt Bill. "Hoewel hij dag en nacht werkte, kon hij er nauwelijks van leven. Volledig onbekend met de koffiebranche, maar vastbesloten om iets aan deze situatie te veranderen, bestelde ik veertigduizend pond ongebrande koffiebonen. Direct bij de coöperatie waar deze boer lid van was. Deze bonen verkocht ik hier in de Verenigde Staten aan branderijen die wel wat zagen in mijn idee van directe inkoop. Daar zat ik dan, nog zonder plan, en met een investering van honderdduizend dollar. Cafe Campesino was geboren."

Geboorte van een coöperatie

Geïnspireerd door de coöperatieve organisatie van de boeren, bracht Bill in 1999 zeven koffiebranderijen bijeen, die zonder tussenpersonen wilden blijven inkopen. De zeven, waar Cafe Campesino er één van was, vormden samen de inkoopcoöperatie Cooperative Coffees.

Een inkoopcoöperatie die inkoopt bij een verkoopcoöperatie, een oeroud model. Zelfs de Inca’s in Ecuador waren vijfhonderd jaar geleden al georganiseerd in een minga, hun vorm van de coöperatie. En het werkt nog steeds. Bill: "Inmiddels kopen wij in negen landen in Afrika en Latijns-Amerika direct in bij dertien coöperaties voor vierentwintig branderijen in Noord-Amerika, waaronder Amavida. Alleen bij boeren die kleinschalig werken, op een stuk grond van één tot vijf hectare. Voor een eerlijke prijs, zodat ze biologische landbouw kunnen bedrijven, rekening houdend met het milieu en hun gemeenschap."

Koffie als commodity

Industriële spelers maken volgens Bill gebruik van tussenpersonen, waardoor het onmogelijk is voor branders om te weten wie de verbouwer van hun bonen is. "Door de keten transparant te houden, willen we voorkomen dat koffie een commodity wordt waarbij alleen op prijs geconcurreerd wordt." Om dit te verduidelijken laat Bill me een website zien waarop Coop Coffees in alle openheid de orders en facturen van hun partners publiceert.

Druppel op gloeiende plaat?

Online heb ik gezien dat de omvang van de markt in de Verenigde Staten jaarlijks ongeveer achthonderdvijftig miljoen kilo koffiebonen is. Met de twee miljoen kilo koffiebonen die het inkoopt, heeft Coop Coffees dus maar een klein aandeel. Aangezien het de enige koffiecoöperatie is in Noord-Amerika, heeft dit model in deze branche nog een lange weg te gaan.

"In de mallemolen van de marketing is het voor ons niet makkelijk om duidelijk te maken dat onze beloftes geen loze woorden zijn. Alles is al een keer gezegd tegen de consument, die niet meer weet wat hij moet geloven", zegt Bill als ik deze cijfers aan hem voorleg. "De koffiesector zou zich behalve met de perfecte smaak en biologische herkomst, ook moeten bekommeren om het fatsoenlijk betalen van de boer", voegt hij aan zijn verhaal toe als hij hoort dat in Nederland kleine branderijen van biologische kwaliteitskoffie als paddenstoelen uit de grond schieten. "Toch hebben wij waarschijnlijk te lang ontkend dat de perfecte smaak wel degelijk belangrijk is, waardoor we niet genoeg marktaandeel hebben opgebouwd om consumentengedrag te beïnvloeden en nog meer impact te hebben.

Rijd mee

Lees hier het eerste hoofdstuk van Tijd om te Schakelen, het boek over mijn reis. Lezers van Grensverleggers die een exemplaar willen bestellen, krijgen 10% korting met de kortingscode MVONL.



Geef een reactie